Problemen met aanleggen


Goed aanleggen is nodig om met succes en zonder pijn borstvoeding te kunnen geven. De term 'aanleggen' betekent dat je baby de tepel en de hele tepelhof in zijn mondje heeft. Goed aanleggen houdt in dat je baby voldoende melk kan krijgen en dat je tepels tegen pijn en kloofjes zijn beschermd. Slecht aanleggen kan ook de melkproductie verminderen waardoor je baby minder snel aankomt dan je zou willen. Problemen met aanleggen zijn normaal en komen vaak voor. Het is daarom essentieel om zo snel en goed mogelijk van start te gaan (bij voorkeur in het eerste uur na de bevalling) en problemen die je tegenkomt meteen aan te pakken.

Hoe weet je of je goed hebt aangelegd

Als de baby goed is aangelegd, zit zowel de tepel als de tepelhof in zijn mondje en is de tepel achter in de mond van de baby geplaatst. De tong van de baby ligt over zijn ondertanden en beschermt de tepel zo tegen mogelijke beschadigingen. Hoewel borstvoeding in het begin dus enigszins ongemakkelijk kan aanvoelen, mag het niet pijnlijk zijn als de baby eenmaal goed is aangelegd.

Verder weet je dat je goed hebt aangelegd als je een licht getrek aan je borst voelt en kunt zien dat je baby de melk doorslikt. Als je bovendien geen pijn voelt en je baby gestadig in gewicht toeneemt, kun je wel zeggen dat je het borstvoeden onder de knie hebt.

Onderbreek het voeden als je baby slecht is aangelegd. Schuif je vinger voorzichtig in de mondhoek tussen de lippen van je baby en maak wat ruimte zodat je je tepel uit zijn mondje kunt halen. Zodra je baby van de borst is, probeer je het opnieuw.

Hoe help je je baby goed aan te leggen

Borstvoeding geven kan een tijdje duren. Neem dus eerst en vooral een correcte houding in. Je kunt achterover leunen of gaan liggen, wat je zelf het fijnst vindt. Houd een paar kussens bij de hand om je rug of hoofd te ondersteunen, of om tussen je knieën te schuiven. Geef de borstvoeding waar mogelijk in een verduisterde, rustige kamer waar zo min mogelijk afleiding is. Dit helpt jou en je baby om te ontspannen en je over te geven aan de borstvoedingssessie. Je baby mag alleen niet zo relaxed zijn dat hij in slaap valt. Maak hem dan zachtjes wakker door zijn voetjes aan te raken of zijn beentjes te bewegen.

Om goed aan te leggen kun je je baby op verschillende manieren vasthouden. Houd je baby in je armen alsof je hem gaat wiegen, dicht tegen je aangeklemd, of laat hem naast je op het bed liggen. Welke houding je ook fijn vindt, de richtlijnen zijn hetzelfde. Het hoofdje en het lichaam van de baby moeten naar de borst zijn gekeerd en dicht tegen je lichaam aan liggen. Het hoofdje van de baby ligt op tepelhoogte zodat hij moeiteloos bij de tepel kan.

Knijp vervolgens zachtjes een paar druppeltjes melk uit je borst. Moedermelk helpt geweldig tegen beschadigingen en tepelkloofjes, maar dit geeft je baby ook een signaal om zijn mondje te openen en de tepel te accepteren. Leid je tepel met je hand naar de achterkant van je baby's mond en trek hem verder naar je toe voordat hij zijn mondje rond de tepel sluit. Het kinnetje van de baby moet in de borst zijn gedrukt en de neus vrij, zodat de ademhaling niet wordt geblokkeerd.

Aarzel niet om hulp te zoeken als je moeite hebt met aanleggen. Vraag hulp aan je huisarts, een lactatiedeskundige, vriend of familielid met ervaring in het geven van borstvoeding.